Nederland heeft een rijke traditie op het gebied van doolhoven, en dan met
name wat betreft haagdoolhoven. Vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw
zijn doolhoven in de tuinen van kastelen en buitenplaatsen bekend. De
oudste uit ons land bekende doolhof lag bij kasteel de Cannenborgh in
Vaassen, waar veldheer Maarten van Rossem in de jaren 1553-1555 een
'dwalhoff' liet aanleggen. Waarschijnlijk was dit echter meer een mooi
ornamentperk dan een dwaaltuin: beplanting in strakke vormen die vooral
bedoeld was om naar te kijken. Een kleine indruk hiervan denken we te
hebben uit het klassieke plaatwerk van Jan Vredeman de Vries (zie
illustratie).
In de zeventiende eeuw groeit de beplanting van doolhoven echter naar
manshoogte, waardoor niet meer over de hagen heen gekeken kan worden.
Daarnaast worden ook splitsingen van paden opgenomen in het ontwerp: de
grondvorm wordt dan dus echt een doolhof in plaats van een labyrint. De
klassieke doolhof van hoge hagen dat de meeste mensen nu kennen ontstaat in
deze tijd. De meeste Europese edelen hebben in die tijd een dergelijk
doolhof in hun tuinen, zoals bijvoorbeeld bij slot Gunterstein (zie
illustratie). Nederland vervult hiermee in de internationale
tuinarchitectuur een tijdlang een toonaangevende rol. Uiteraard was dit
soort doolhoven ook zeer geschikt voor diverse romantische
aangelegenheden...
In deze periode vinden we doolhoven ook voor het eerst als 'spelletje' voor
het publiek; ook daarmee heeft Nederland een wereldprimeur. De bekendste
daarvan stonden in Amsterdam en in de Burcht van Leiden. Het zijn meestal
kleine attractieparkjes bij een herberg, waar naast de doolhof ook andere
dingen te zien en doen zijn om de zinnen te verzetten, zoals
beeldenverzamelingen, bedriegertjes en fonteinen.
Eind zeventiende eeuw verandert het concept van de doolhof. Naast de
strakke, dicht opeen gepakte padenpatronen met hagen ontstaan nu ook de
zogenaamde 'hakhoutdoolhoven': stukken bos of beplanting, waar grillige
padenpatronen in zijn uitgespaard. In hakhoutdoolhoven is het niet zozeer
meer de bedoeling de weg van een begin- naar eindpunt te vinden, maar om
een aangenaam middagje te dwalen in soms belangrijk gezelschap. Ook worden
spelletjes, thee- en trouwpartijen georganiseerd in deze doolhoven. Soms
was het ook de bedoeling dat men een bepaalde route moest vinden waarbij
men langs alle beelden in de doolhof kwam. Trendsettend op dit gebied is de
aanleg van het Labyrint van Versailles (1675), waarvan ook kopieën in ons
land werden aangelegd. Ook bij landgoed Beeckesteijn bij Velsen (zie
illustratie) was een hakhoutdoolhof, maar van een ander, simpeler ontwerp.
Een restant van een hakhoutdoolhof vinden we nu nog op landgoed Kernhem bij
Ede.
In de achttiende eeuw raken doolhoven langzamerhand uit de
mode. De introductie van de Engelse landschapsstijl zorgt ervoor dat veel
strakke baroktuinen helemaal op de schop gaan. Omdat vooral doolhoven van
aangeplante hagen erg onderhoudsgevoelig zijn en vaak moeten worden
geknipt, raken vele overwoekerd, of worden opgeruimd om plaats te maken
voor vernieuwingen.
Voor zover bekend zijn er in de middeleeuwen in Nederland
geen kerklabyrinten aangelegd. Aan het einde van negentiende eeuw ontstaat
echter een hernieuwd gebruik om bij de bouw van kerkgebouwen daarin
labyrinten of doolhoven op te nemen in de vorm van tegelmozaieken. Een
aantal daarvan is nu nog te bewonderen, zoals bijvoorbeeld in de Sint
Nicolaaskerk te Nieuwegein (illustratie).
Pas aan het einde van de negentiende eeuw ontstaat er weer
belangstelling voor doolhoven in tuinen. Er worden dan weer regelmatig
ontwerpen uit het verleden opnieuw aangelegd bij landhuizen en kastelen,
maar ook bij openbare gebouwen zoals het Broekerhuis en Rijksmuseum te
Amsterdam.
In de
jaren twintig van de twintigste eeuw worden ook weer doolhoven als
publieksattractie aangelegd. De doolhof bij Hotel Tjaarda (Oranjewoud,
Friesland; ca. 1927) was jarenlang het doel van vele schoolreisjes en een
van de bekendste en zeker de grootste van Nederland (zie foto). Ook in het
Plaswijckpark te Rotterdam en pretpark de Koningin Julianatoren te
Apeldoorn werden zulke doolhoven aangelegd - van de laatste is nu alleen
nog een restant te bewonderen.
Na de tweede wereldoorlog verwatert de belangstelling voor doolhoven
weer enigszins. Vele doolhoven raken weer overwoekerd, of maken plaats voor
nieuwere attracties in pretparken. In sommige gevallen zorgen de bezoekers
zelf voor zoveel slijtage dat meer gaten dan hagen overblijven. In de jaren
negentig kent de aanleg van doolhoven echter weer een opleving. Naast
diverse haagdoolhoven die ons land worden aangelegd (zoals die van het
Drielandenpunt), komen echter nu ook doolhoven voor in andere materialen
zoals hout, gaas, steen.
Een geheel nieuwe vorm is die van de maïsdoolhof, die uitgemaaid wordt uit
een areaal gewas en voor slechts één seizoen te bezoeken is. Het fraaiste
maïsdoolhof in Nederland totnogtoe was die bij speeltuin Klein-Zwitserland
in Tegelen in 2002. Ook vindt een opleving plaats van interesse in
labyrinten, waarbij aan het bewandelen van de weg door het labyrint een
verfrissende en helende werking wordt toebedicht.
|