Dwalen door het verleden: verdwenen doolhoven in Nederland

Het valt niet mee om doolhoven en labyrinten in een goede staat te houden. De vele slingerende paden vergen veel onderhoud. Uit onze vaderlandse geschiedenis zijn wel veel doolhoven bekend - ongeveer vijftig. De meeste van deze ooit bestaand hebbend doolhoven waren echter haagdoolhoven - met name deze werden in de loop der tijd juist weer opgeruimd. ontwerp van Vredeman de Vries, 1583 Nederland heeft een rijke traditie op het gebied van doolhoven, en dan met name wat betreft haagdoolhoven. Vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw zijn doolhoven in de tuinen van kastelen en buitenplaatsen bekend. De oudste uit ons land bekende doolhof lag bij kasteel de Cannenborgh in Vaassen, waar veldheer Maarten van Rossem in de jaren 1553-1555 een 'dwalhoff' liet aanleggen. Waarschijnlijk was dit echter meer een mooi ornamentperk dan een dwaaltuin: beplanting in strakke vormen die vooral bedoeld was om naar te kijken. Een kleine indruk hiervan denken we te hebben uit het klassieke plaatwerk van Jan Vredeman de Vries (zie illustratie).

klassieke haagdoolhof bij slot Gunterstein In de zeventiende eeuw groeit de beplanting van doolhoven echter naar manshoogte, waardoor niet meer over de hagen heen gekeken kan worden. Daarnaast worden ook splitsingen van paden opgenomen in het ontwerp: de grondvorm wordt dan dus echt een doolhof in plaats van een labyrint. De klassieke doolhof van hoge hagen dat de meeste mensen nu kennen ontstaat in deze tijd. De meeste Europese edelen hebben in die tijd een dergelijk doolhof in hun tuinen, zoals bijvoorbeeld bij slot Gunterstein (zie illustratie). Nederland vervult hiermee in de internationale tuinarchitectuur een tijdlang een toonaangevende rol. Uiteraard was dit soort doolhoven ook zeer geschikt voor diverse romantische aangelegenheden...

doolhof bij De Burcht, Leiden In deze periode vinden we doolhoven ook voor het eerst als 'spelletje' voor het publiek; ook daarmee heeft Nederland een wereldprimeur. De bekendste daarvan stonden in Amsterdam en in de Burcht van Leiden. Het zijn meestal kleine attractieparkjes bij een herberg, waar naast de doolhof ook andere dingen te zien en doen zijn om de zinnen te verzetten, zoals beeldenverzamelingen, bedriegertjes en fonteinen.

hakhoutdoolhof (detail plattegrond landgoed Beeckesteijn) Eind zeventiende eeuw verandert het concept van de doolhof. Naast de strakke, dicht opeen gepakte padenpatronen met hagen ontstaan nu ook de zogenaamde 'hakhoutdoolhoven': stukken bos of beplanting, waar grillige padenpatronen in zijn uitgespaard. In hakhoutdoolhoven is het niet zozeer meer de bedoeling de weg van een begin- naar eindpunt te vinden, maar om een aangenaam middagje te dwalen in soms belangrijk gezelschap. Ook worden spelletjes, thee- en trouwpartijen georganiseerd in deze doolhoven. Soms was het ook de bedoeling dat men een bepaalde route moest vinden waarbij men langs alle beelden in de doolhof kwam. Trendsettend op dit gebied is de aanleg van het Labyrint van Versailles (1675), waarvan ook kopieën in ons land werden aangelegd. Ook bij landgoed Beeckesteijn bij Velsen (zie illustratie) was een hakhoutdoolhof, maar van een ander, simpeler ontwerp. Een restant van een hakhoutdoolhof vinden we nu nog op landgoed Kernhem bij Ede.

In de achttiende eeuw raken doolhoven langzamerhand uit de mode. De introductie van de Engelse landschapsstijl zorgt ervoor dat veel strakke baroktuinen helemaal op de schop gaan. Omdat vooral doolhoven van aangeplante hagen erg onderhoudsgevoelig zijn en vaak moeten worden geknipt, raken vele overwoekerd, of worden opgeruimd om plaats te maken voor vernieuwingen.

tegellabyrint Sint Nicolaaskerk Nieuwegein. Illustratie:
Hansa Krijgsman Voor zover bekend zijn er in de middeleeuwen in Nederland geen kerklabyrinten aangelegd. Aan het einde van negentiende eeuw ontstaat echter een hernieuwd gebruik om bij de bouw van kerkgebouwen daarin labyrinten of doolhoven op te nemen in de vorm van tegelmozaieken. Een aantal daarvan is nu nog te bewonderen, zoals bijvoorbeeld in de Sint Nicolaaskerk te Nieuwegein (illustratie).

Pas aan het einde van de negentiende eeuw ontstaat er weer belangstelling voor doolhoven in tuinen. Er worden dan weer regelmatig ontwerpen uit het verleden opnieuw aangelegd bij landhuizen en kastelen, maar ook bij openbare gebouwen zoals het Broekerhuis en Rijksmuseum te Amsterdam.

doolhof bij hotel Tjaarda, Oranjewoud in 1951 In de jaren twintig van de twintigste eeuw worden ook weer doolhoven als publieksattractie aangelegd. De doolhof bij Hotel Tjaarda (Oranjewoud, Friesland; ca. 1927) was jarenlang het doel van vele schoolreisjes en een van de bekendste en zeker de grootste van Nederland (zie foto). Ook in het Plaswijckpark te Rotterdam en pretpark de Koningin Julianatoren te Apeldoorn werden zulke doolhoven aangelegd - van de laatste is nu alleen nog een restant te bewonderen.

Na de tweede wereldoorlog verwatert de belangstelling voor doolhoven weer enigszins. Vele doolhoven raken weer overwoekerd, of maken plaats voor nieuwere attracties in pretparken. In sommige gevallen zorgen de bezoekers zelf voor zoveel slijtage dat meer gaten dan hagen overblijven. In de jaren negentig kent de aanleg van doolhoven echter weer een opleving. Naast diverse haagdoolhoven die ons land worden aangelegd (zoals die van het Drielandenpunt), komen echter nu ook doolhoven voor in andere materialen zoals hout, gaas, steen.

maisdoolhof Een geheel nieuwe vorm is die van de maïsdoolhof, die uitgemaaid wordt uit een areaal gewas en voor slechts één seizoen te bezoeken is. Het fraaiste maïsdoolhof in Nederland totnogtoe was die bij speeltuin Klein-Zwitserland in Tegelen in 2002. Ook vindt een opleving plaats van interesse in labyrinten, waarbij aan het bewandelen van de weg door het labyrint een verfrissende en helende werking wordt toebedicht.